| MARTIN VISSER | |||
collectie (bank BR 02.7, fauteuils SZ 01 en SZ 02, eetkamerstoelen SE 05, SE 06 en SE 07, tafel TE 06.7). Visser heeft een sterke voorkeur voor ambachtelijk vervaardigde meubelen. Veel van zijn meubelen hebben een industrieel uiterlijk, maar zijn grotendeels ambachtelijk vervaardigd. Tevens vergt hij het uiterste van techniek: het liefst wil hij iets maken wat eigenlijk niet kan! Een voorbeeld hiervan is dat hij de buizen niet buigt, maar zaagt en hoek last. Eerlijk materiaalgebruik, de heldere constructie en gebrek aan decoratie laten tot uitdrukking komen dat Visser grote bewondering heeft voor Berlage en het vooroorlogse functionalisme. Hij wil eenvoudige meubelen maken met zo weinig mogelijk materiaal en zo eenvoudig mogelijke vormen. In de jaren 60 worden zijn meubelen minder strak en ogen de meubelen massiever, volumineuzer en comfortabeler. De meubelen zijn daardoor ook meer gedateerd. In de periode 1978-1983 is Visser hoofdconservator moderne kunst in het Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam. Na deze periode is hij toch weer gaan ontwerpen. In zijn laatste ontwerpen laat Visser zijn opvattingen over eenvoudige en heldere vormgeving los. Het nieuwe werk is veel barokker dan de strenge ontwerpen waarmee zijn naam gevestigd is. De inspiratie komt nu meer uit de wereld van de kunst dan uit die van de vormgeving. Het constructieve aspect blijft belangrijk, maar hij probeert nieuwe vormen en materialen uit als karton en geperforeerd staalplaat. Onder invloed van zijn echtgenote Joke van der Heijden gaat kleur een rol spelen. Joke verzorgt de kleur en decoratieve elementen, die de vorm en constructie accentueren. Naast al deze activiteiten bouwt Visser een belangrijke privé-collectie op van hedendaagse kunst. In december 1998 werd Martin Visser’s carrière beloont met de oeuvreprijs voor vormgeving. |

